Om deze website goed te laten functioneren, gebruiken wij cookies. Lees hier meer over ons cookiebeleid. Als je onze site gebruikt, gaan wij ervan uit dat je hiermee akkoord gaat.

Klik hier om deze melding te verbergen

de taken van de praktijkopleider

1. Kiezen en organiseren van leersituaties

Als je een leerling gaat begeleiden, bekijk je - zo mogelijk samen met de leerling - welke leerdoelen hij aan het einde van een periode moet hebben bereikt. Vraag hiernaar bij de leerling of vraag de leerdoelen op bij de school. Je bekijkt samen met de leerling welke opdrachten hij moet uitvoeren en in welke periode dat het beste kan. Je zorgt ervoor dat alle voorwaarden aanwezig zijn om de opdrachten uit te voeren. Je zoekt bijvoorbeeld een goede werkplek voor de leerling en zorgt ervoor dat alle benodigde materialen en gereedschappen aanwezig zijn.

2. Geven van feedback over het handelen van de leerling in die leersituaties

Als vastgesteld is welke opdracht de leerling gaat uitvoeren, bespreek je deze vooraf met de leerling. Je geeft aanwijzingen hoe de opdracht uitgevoerd moet worden. Of je vraagt de leerling op welke manier de opdracht volgens hem het beste uitgevoerd kan worden. Verder kijk je hoe de leerling de opdracht aanpakt en je reageert op wat de leerling doet (feedback), zodat hij weet wat goed of fout is. Als de leerling de opdracht niet goed uitgevoerd heeft, kun je twee dingen doen. Je kunt de opdracht eenvoudiger maken (dus: de leersituatie bijstellen). Je kunt de leerling ook extra begeleiding geven, zodat hij de opdracht wél kan maken.

3. Bewaken van de voortgang in het leer- en ontwikkelproces van de leerling

Begeleiding vereist dat de vorderingen van de leerling regelmatig bijgehouden worden. Bespreek daarom na elke opdracht de uitvoering ervan met de leerling. Houd een open situatie waarin er ruimte is om fouten bespreekbaar te maken. Laat leerlingen weten wat goed is gegaan en wat minder goed ging. Ze weten dan hoe ze verder moeten. De leerlingen krijgen hierdoor zelfvertrouwen.
Op een wat langere termijn houd je in de gaten of de leerlingen vorderingen maken. Of ze bijvoorbeeld steeds sneller door hebben hoe iets moet. Of ze technieken leren beheersen. Of ze hun werk netjes afleveren enzovoort. Je let hierbij ook steeds op of de leerlingen zelfstandiger worden. Deze vorderingen bespreek je regelmatig met de leerlingen.

4.Bieden van sociaal-emotionele ondersteuning

Naast het bewaken van het leerproces, is het belangrijk ook aandacht te schenken aan ervaringen van de leerling. Deze kunnen betrekking hebben op de werksituatie: vindt de leerling het moeilijk? Durft hij vragen te stellen? Ook ervaringen en gevoelens die bijvoorbeeld te maken hebben met de relatie met collega's horen hier bij. Voelt de leerling zich op zijn gemak tussen de andere werknemers? Als bijvoorbeeld blijkt dat de leerling het niet zo goed kan vinden met een collega, dan bekijk je hoe je de leerling kunt helpen deze relatie te verbeteren.
Om leerlingen goed te kunnen begeleiden, is het belangrijk dat je een goede relatie opbouwt met de leerling.

5. Bieden van steun bij het oplossen van problemen van de leerling

Tijdens het begeleiden is het belangrijk om alert te zijn op mogelijke problemen van de leerlingen. Deze problemen kunnen een negatieve invloed op het werk hebben. Het is belangrijk dat je die problemen onderkent. Problemen kunnen liggen in het werk zelf, bijvoorbeeld als een leerling een opdracht verkeerd uitgevoerd heeft. Maar het kan ook zijn dat de leerling andere problemen heeft die van invloed zijn op het werk. Het is jouw taak om steun te bieden bij het bespreekbaar maken, verhelderen en zo mogelijk oplossen van het probleem. Hiervoor geldt echter steeds dat jij de leerling stimuleert zelf naar een oplossing te zoeken.