Om deze website goed te laten functioneren, gebruiken wij cookies. Lees hier meer over ons cookiebeleid. Als je onze site gebruikt, gaan wij ervan uit dat je hiermee akkoord gaat.

Klik hier om deze melding te verbergen

motiveren en stimuleren

Motivatie is een voorwaarde voor leren. ‘Iets willen bereiken', ‘enthousiast zijn' en ‘er voor gaan' geven aan dat een leerling gemotiveerd is. In grote lijnen zijn er twee manieren om een leerling te motiveren:

1. Persoonsgericht stimuleren, dat wil zeggen gericht op hoe de leerling zich voelt

Om de leerling te kunnen stimuleren voor de opleiding of het werk moet de leerling zich eerst prettig voelen. De leerling moet zelfvertrouwen hebben, maar ook de sfeer op het werk moet goed zijn. Als praktijkopleider kun je hiervoor zorgen door een goede relatie met de leerling op te bouwen en door een prettige werksfeer te scheppen.

2. Taak/opdrachtgericht stimuleren, dat wil zeggen gericht op de taken die je aan de leerling geeft

Taakgericht stimuleren doe je door de opdrachten en het werk te laten aansluiten bij het niveau en de interesse van de leerling. Geef de leerling zoveel mogelijk interessante en uitdagende klussen. Niet té moeilijk, want daar wordt een leerling onzeker van. Maar zeker ook niet te makkelijk.

Zó kun je jouw leerling stimuleren:

  • Laat zien waarom dit werk leuk is en straal zelf ook uit dat je dit werk leuk vindt.
  • Sluit zoveel mogelijk aan bij de behoeften en de interesses van de leerling.
  • Geef jouw leerling het vertrouwen dat hij bepaalde verantwoordelijkheden aan kan. Dit kun je bijvoorbeeld doen door de leerling opdrachten te laten uitvoeren terwijl je met iets anders aan de slag gaat. Kom natuurlijk wel af en toe kijken!
  • Waardeer de leerling. Benoem na het uitvoeren van de opdracht niet alleen de dingen die beter kunnen, maar benoem ook de goede punten.
  • Bouw een relatie met de leerling op. Geef aandacht, toon interesse voor de leerling en laat ook iets van jezelf zien. Bel ons voor meer informatie
  • Zorg voor prettige werkomstandigheden. Laat de leerling contact maken met andere collega's. Betrek de leerling bij de groep.
  • Prikkel de aandacht van de leerling en zorg voor afwisseling in het werk.
  • Bespreek regelmatig de vorderingen met de leerling.
  • Geef opdrachten die passen bij het niveau van de leerling.
  • Bied de leerling de mogelijkheid om dingen op zijn eigen manier te doen.
  • Geef opdrachten die passen bij het (toekomstige) werk.
  • Geef duidelijke instructies.